In Spanje betaalt een middenklasser ongeveer 60 euro per jaar aan wegenbelasting, terwijl de gemiddelde Nederlandse kosten rond de 700 euro liggen. België bevindt zich tussen beide, maar krijgt in 2027 een nieuw wegenvignet. Alle drie landen rekenen jaarlijks wegenbelasting, maar de berekeningsgrondslag verschilt.
In Spanje wordt de Impuesto sobre Vehículos de Tracción Mecánica (IVTM) geïnd door de gemeente (Ayuntamiento). De staat stelt een minimumtarief vast per fiscale pk (caballos fiscales), een eenheid die los staat van het werkelijke motorvermogen. Voor 8 pk is het minimum 12,62 euro; voor 8‑12 pk 34,08 euro; voor 12‑16 pk 71,94 euro; voor 16‑20 pk 89,61 euro; en boven 20 pk 112 euro. Gemeenten mogen deze bedragen met een factor tot 2 verhogen. Een middenklasser met 11,5 fiscale pk in Madrid betaalt 59 euro per jaar, in Málaga 65,80 euro, in Sevilla 61 euro en in Palencia 51,04 euro. In het Baskische regime zijn de tarieven hoger: Vitoria‑Gasteiz 76,17 euro en Donostia 89,25 euro.
Brandstof speelt geen rol: diesel en benzine betalen hetzelfde voor een gelijkwaardige fiscale pk. Elektrische auto's krijgen vaak korting, maar elke gemeente bepaalt het tarief. Madrid geeft 75 procent korting op een auto met de etiqueta CERO, een sticker die vanaf 2026 geldt zonder einddatum. Toledo, Palencia en Sevilla bieden ook 75 procent, Cádiz en Pamplona 50 procent. Een elektrische middenklasser in Madrid betaalt 14,75 euro per jaar.
De eerste inschrijving in Spanje brengt een registratiebelasting (impuesto de matriculación) met zich mee, die afhankelijk is van de CO2‑uitstoot. Voor 0‑120 g/km is het 0 procent, voor 120‑160 g/km 4,75 procent, voor 160‑200 g/km 9,75 procent en boven 200 g/km 14,75 procent. Elektrische auto's zijn vrijgesteld. Bij een belastbare waarde van 35.000 euro in de middelste categorie bedraagt de belasting 1.662,50 euro.
Nederland berekent de motorrijtuigenbelasting (MRB) op basis van het gewicht. Sinds 1 juli 2026 telt de Belastingdienst het gewicht rijklaar, dat het ledig gewicht plus 100 kilo is. De MRB bestaat uit een rijksdeel dat met het gewicht oploopt, een toeslag voor diesel en een provinciale opcenten. In 2026 liggen de opcenten tussen 82,1 in Noord-Holland en 104,4 in Zuid-Holland. Een benzineauto van 1.400 kg rijklaar kost per kwartaal tussen 199 en 217 euro; diesel tussen 418 en 437 euro; een elektrische auto van hetzelfde gewicht 139 tot 152 euro.
België kent drie gewesten met eigen regels. In Vlaanderen begint de verkeersbelasting bij de fiscale pk, waarna CO2‑uitstoot, euronorm en brandstof het bedrag beïnvloeden. Het basisbedrag voor 8 pk was 273,60 euro en voor 10 pk 377,52 euro in het jaar tot 30 juni 2026. In 2026 is de korting voor volledig elektrische auto's in Vlaanderen veranderd: een auto die vóór 1 januari 2026 is ingeschreven blijft vrijgesteld, later ingeschreven auto's betalen een vast bedrag van 102,96 euro. Wallonië en Brussel hanteren vergelijkbare vaste bedragen rond de 103 euro.
Op 1 mei 2027 introduceert België een digitaal wegenvignet voor alle voertuigen tot 3,5 ton. Het kost 100 euro per jaar voor een auto met Euro 4 of hoger, 90 euro voor een emissievrije auto en 125 euro voor oudere auto's met Euro 0‑3. Het tarief is in alle gewesten gelijk. Een eerste boete voor het ontbreken van een vignet bedraagt 70 euro. Als compensatie verlagen de gewesten de verkeersbelasting voor nieuw ingeschreven auto's, met verschillende startdata.
Kortom: Spanje is het goedkoopst qua wegenbelasting, Nederland het duurst, en België ligt daartussen. Elektrische auto's profiteren in alle landen van kortingen, maar de details verschillen sterk per regio en per jaar.














