De La Manga del Mar Menor, een 20‑kilometer lange zandtong tussen de Middellandse Zee en de Mar Menor, was tot in de jaren zestig een vrijwel ongerept natuurgebied. In 1960 werd de Gran Vía aangelegd, een hoofdweg die de hele zandtong doorkruist, en in 1963 kreeg het gebied de status Centro de Interés Turístico, waardoor natuurbescherming verviel.
Tomás Maestre, die in de jaren vijftig grond op de restinga kocht, verkocht de kavels aan projectontwikkelaars. Binnen twee decennia ontstond er een keten van appartementencomplexen, jachthavens en luxevilla’s.
Tegenwoordig telt de smalle strook meer dan tweehonderd urbanisaties en is er nauwelijks nog een stuk kust onbebouwd. De eerste urbanisaties, Los Cubanitos en Galúa, en het eerste hotel, Hotel Entremares, werden in 1966 geopend.
De bouwstijl, waarbij gebouwen letterlijk tegen elkaar aan staan, werd de norm. Juridisch gezien was de zandtong al als suelo urbano consolidado aangewezen, waardoor de Spaanse kustwet van 1988, die bouwen binnen honderd meter van de waterlijn verbiedt, niet van toepassing was.
In 2025 werd zelfs een chalet van elf meter hoog gebouwd op een rotspunt naast de vuurtoren van El Estacio, op slechts enkele centimeters van een markeringspaal. Ondanks de overbouwing blijft de La Manga aan haar uiteinden verrassend natuur.
Bij Cabo de Palos kun je snorkelen of duiken, terwijl het aangrenzende Calblanque wandelpaden biedt door ongerepte kustnatuur. De jachthaven van Maestre biedt mogelijkheden voor kitesurfen, zeilen en boottochten naar eilandjes.
Aan de noordkant liggen de zoutvlakten van San Pedro del Pinatar, waar flamingo’s neerstrijken en bezoekers zich insmeren met de geneeskrachtige modder. Het verhaal illustreert de gevolgen van een gebrek aan ruimtelijke regelgeving op lange termijn.














