Spanje staat op het punt vervroegde landelijke verkiezingen te houden, terwijl de woningcrisis steeds meer mensen de straat op brengt. De recente dood van 87‑jarige Maricarmen Abascal, die kort voor haar overlijden uit haar woning in Madrid werd gezet, heeft een golf van verontwaardiging en protesten veroorzaakt.
Abascal woonde meer dan zeventig jaar in dezelfde woning. Na een juridische procedure werd ze gedwongen te vertrekken; vijftien dagen later overleed ze. Het incident leidde tot demonstraties in Madrid, waaronder op Puerta del Sol, en in Barcelona, waar meer dan duizend mensen de straat op gingen. In de wijk San Blas hielden activisten een protest tegen de uitzetting van een ander gezin.
Premier Pedro Sánchez heeft een pakket van 21 maatregelen aangekondigd om de toegang tot betaalbare woningen te verbeteren. De maatregelen omvatten extra bescherming voor kwetsbare huurders, automatische verlenging van bepaalde huurcontracten, renteloze leningen tot €50.000 voor starters en beperkingen op speculatieve woningaankopen. Een deel van het pakket is al in werking, maar de decreten moeten nog parlementair worden bekrachtigd.
De politieke situatie is gespannen. De Partido Popular, Vox en Junts per Catalunya verwerpen de regering, en de partijleider Alberto Núñez Feijóo beschuldigt Sánchez van onvoldoende actie. Op 5 oktober 2026 kondigde Sánchez aan dat Spanje vervroegd naar de stembus gaat; de verkiezingen staan gepland voor 29 november. Op 10 oktober werd de nieuwe centrumpartij Democracy21 aangekondigd door juriste Miriam González Durántez.
De komende dagen zullen de belangrijkste partijen zich voorbereiden op een intensieve campagne, waaronder een debat tussen Sánchez en Feijóo op 16 november. De woningcrisis blijft een centraal thema, met vragen over huurprijzen, nieuwbouw en de rol van de overheid.














